Binnenkort is het weer tijd voor een nadere inspectie van ons filosofisch geheugen voor zover het nog geen dagelijkse taak is. In april begint zoals al een aantal jaren, nu precies 25!, het geval is, de Maand van de Filosofie. Hoewel Trouw over een eigen filosofisch elftal beschikt blijven er nog diverse onderwerpen over die nog op de wachtlijst staan. Dat is bijvoorbeeld het geval met de relatie specialist-generalist, daar waar culturele vorming ter sprake komt. Wat zou het immers mooi zijn als die relatie zich in één en dezelfde persoon manifesteert. Dat dat niet de gewoonte is blijkt maar weer eens uit de bijdrage van vier wetenschappers in deze krant van 19/2, waarin zij pleiten voor universitair onderwijs als vorm van persoonsvorming: “iemand worden” (1). Ik zou daar een algemeen kennisperspectief tegenover willen zetten. Een perspectief waarbij zelfkritiek aan de basis staat. Daarbij ga ik te rade bij onder meer Edgar Morin die nog onlangs, op 104-jarige leeftijd, een curieus boekje heeft uitgebracht met de titel “Het onwaarschijnlijke kan gebeuren” (2). Daaruit het volgende citaat dat ik koos vanwege precies dat ‘generalistisch specialisme’ waarmee ik de persoonseigene zelfkritische positie bedoel. “Dus het is niet zo dat historici de geschiedenis overzien vanaf een boven de tijd zwevende troon; ook zijzelf dienen in hun eigen context te worden beschouwd. Dit was voor mij een les van groot belang, die niet uitsluitend zou moeten gelden voor historici maar voor alle academici, alle filosofen, alle denkers. Later legde ik die gedachte neer in de volgende formulering: ‘Geen bruikbare observatie zonder zelfobservatie.’ De observator moet zichzelf onderzoeken en zichzelf situeren.”

Deze formulering lijkt me echt iets voor op een tegeltje dat iedere nieuwe student meekrijgt tijdens de jaarlijkse kennismaking. Maar eigenlijk is dat echter al vrij redelijk aan de late kant. Dit soort persoonsvormende procesleer lijkt toch eerder studiestof voor in het voortgezet onderwijs en pre-universitaire opleidingen. Belangrijker materie voor aankomende wetenschappers is de attitude die Morin al in 1994 stimuleerde in het Transdisciplinaire Handvest. Het is een vorm van kennisvermeerdering dat specialisme paart aan een contextuele situatie waarbij de onderzoeker niet bang is samen te werken met andere disciplines en gebruik te maken van mogelijk niet voor de hand liggende extra-disciplinaire informatie. Deze koepelvisie is juist van belang daar waar wetenschap en maatschappij onder druk staan en toch, gelukkig maar, de actuele waarde van wetenschappelijk onderzoek, theoretisch en toegepast, wordt ingezien. Transdiciplinair denken is overigens niet voorbehouden aan de universiteit. Kunstacademies hebben ook hier een bijdrage aan te leveren, zijnde in aanleg een beeldrijk kennisdomein. Het geeft bovendien een duidelijker perspectief dan het wat obligaat politiek klinkende ‘a broader mind’. Zeker gezien dat andere onderwerp dat Morin intensief exploreerde namelijk het epistemologisch concept van ‘complexiteit’ waarin een kritische, creatieve en verantwoordelijke geest voorop staat bij onderzoek van maatschappelijke problemen. Nu zouden we er zeker het gebruik en misbruik van AI en sociale media onder scharen. Waarbij we uiteraard niet vergeten dat “De vooruitgang bergt ambiguïteiten en regressies in zich”.
Op verschillende universiteiten is deze opvatting al enigszins ingeburgerd, al is dat meestal voorbehouden aan de meer sociaal-filosofische en artistiek-esthetische faculteiten. Wat let de hedendaagse student, wat let de oplettende lezer, zich in deze richting te bewegen, juist nu het thema van de aankomende maand is ‘Ken onszelve’ ? Het kan zomaar ons eigen engagement en ons eigen zelfbewustzijn met de wereld verstevigen. Ook in die mate dat we het af en toe kunnen loslaten.
1)Wat ben je? Nee, wíe ben je. Leer dat aan de student, F.Demeijer, M.Zweekhorst, J.Waelen, G.Buijs, VU Amsterdam, Trouw 19 febr.2026. – 2)Edgar Morin, Het onwaarschijnlijke kan gebeuren, 2025
———+——-