“….Met deze woorden zint hij op een kunst zoals nog nooit vertoond is….” (Ovidius VIII).
In 2026 is het thema van de nationale poézieweek Metamorfose. Als er iets karakteristiek is aan de post-moderne westerse cultuur dan is het wel dit idee van permanente verandering vaak ook geduid als een evolutie met regelmatige schokken of breuken. Heraclitus’ uitspraak van ‘alles stroomt’ komt er dichtbij vanwege de betekenis dat niets hetzelfde blijft. Maar Metamorfose is toch iets meer. Het wil het proces van verandering preciseren als een vorm van transformatie met duidelijke standpunten, verifieerbare fases, mythologisch of historisch of intermenselijk en persoonlijk. In de promotie van de poëzieweek wordt dit kenmerk van het proces in het bijzonder toegekend aan poëzie. “Metamorfose is overal: in de natuur, in ons lichaam, in onze gedachten en in onze samenleving. Het is een transformatie die ons uitdaagt, verrast en inspireert. Poëzie is bij uitstek het genre dat deze veranderingen vangt, verwoordt en verbeeldt.”
Hier wordt poëzie een vorm van modern engagement: politiek, klimaat, natuur en inclusief divers en kwetsbaar. Daarna belooft de tekst ons ook op reclameachtige wijze weerbaarheid: “en vier de kracht van verandering!” In vergelijking met andere disciplines lijkt mij deze belofte enigszins overtrokken. Het zijn met name meer de visuele beeldtechnische media en theatrale presentaties die met directe impact verandering kunnen symboliseren. Poëzie in de huidige omstandigheden is als een meestentijds tekstuele presentatie toch hoofdzakelijk een gedeeld individuele ervaring. Tenzij tevens wordt aangestuurd op ‘het poëtische’ in elk denkbare publieke vorm. In dat geval stuiten we hier op een verruiming van het idee ‘poëzie’ tot moeilijk te trekken performatieve grenzen.
Wel is af te leiden uit deze typerende poëzieomschrijving dat, samengevat: verandering als transformatief proces in het algemeen waarschijnlijk door poëzie het beste wordt verwoord. Daarbij kan gesteld dat in essentie verandering berust op beweging. Maar afhankelijk van welke ontwikkelingsvisie men hanteert, gaat deze beweging vloeiend lineair of met horten en stoten, gepaard aan tegenstellingen. Vandaar mijn conclusie dat 1)Metamorfose de Maatstaf is voor goede poëzie. Het zet dingen in beweging volgens een specifiek opgemeten betoog, waarin harmonie afgewisseld wordt door disharmonieën. 2)Poëzie als een vorm van beeldspraak fungeert als metafoor voor verandering. Het is vergelijkbaar met een werkelijkheid maar toont die op een bijzondere manier. 3)In deze visie kan poëzie als maatstaf gelden voor de kwaliteit van elke kunstdisciplinaire activiteit.

James Joyce vermeldt als motto in ‘A portrait of the artist as a young man’(1916) the Latijnse spreuk uit Ovidius’ Metamorphoses, VIII, “et ignotas animum dimittit in artes”. In vrij letterlijke vertaling “en hij laat zijn geest los in (op) onbekende kunsten”. Waarmee het opgroeien van de hoofdpersoon, Stephen Dedalus, wordt geduid als een ‘rite de passage’ op onbekende terreinen middels verschillende zelfbeelden. Dit opgroeien, het veranderen van gedachten en voorkeuren, kan generiek gezien als culturele omwenteling beschouwd worden. In historische disciplines is een zeer bekend voorbeeld de vergelijking tussen antieke beschavingsnormen en de moderniteit. Het is bijvoorbeeld Schlegel geweest die expliciet zijn vooruitzichten voor de toenmalige ‘hedendaagse’ poëzie scherp afzette tegen onder meer de Griekse cultuur in zijn ‘Über das Studium der griechischen Poesie’ (1797). Een ander voorbeeld in de lyrische literatuur is het boek van Alexander Pope ‘An essay on criticism’ (1711) waarin hij ‘the Ancients’ stelt als tegenbeekd voor ‘the Moderns’. In de Franse geschiedenis heet dit ‘La Querelle des Anciens et des Modernes’, van rond 1700, met het verschil dat in dit debat ook het idee vooruitgang prominent naar voren komt als ‘wetenschappelijk’ gefundeerde Verlichtingslogica.
Hierdoor zien we twee aspecten te voorschijn komen in de vooraanstaande poëtica’s van de afgelopen drie eeuwen. Dat is, in grove lijnen, het afzetten tegen voorgaande stijlopvattingen door bewegingen als Modernen, Avangarde en vergelijkbare iconoclastische literatoren of kunstenaarsgroepen. En daarnaast de groeiende interesse van dichters en kunstenaars in maatschappelijke ontwikkelingen die het gevolg zijn van wetenschappelijke en technologische invloeden.
———+———














